0

#JeSuisCharlie

Advertenties
0

Tot slot: overschat sociale media niet

Na zes weken en elf blogs over sociale media werd het tijd voor een slotdebat. Zijn sociale media echt onmisbaar voor journalisten en wat verandert burgerjournalistiek aan de sector in het algemeen? Mijn mening aan de hand van drie stellingen.

Een journalist die geen gebruik maakt van sociale media kan zijn beroep niet beoefenen

Hoe noodzakelijk zijn sociale media voor de journalistiek? Het blijft een moeilijke kwestie. Ook de journalisten zelf lijken verdeeld. Uit een journalistenenquête van Quadrant Communications bij 330 respondenten blijkt dat 62% van de respondenten Facebook professioneel gebruikt, voor Twitter is dat 51%. Dat aandeel zal de laatste twee jaar ongetwijfeld nog gestegen zijn. Sociale media laten je immers toe om op een gemakkelijke en snelle manier contacten te leggen en informatie op te zoeken, zo wordt algemeen aangenomen, maar klopt dat wel?

Valkuil 1: Op sociale media zijn er tonnen informatie te vinden. Niet al die informatie is even relevant en eigenlijk is het onbegonnen werk om al die reacties of profielen te checken. Je kan nooit iedereen volgen en maakt daarom onvermijdelijk een selectie. Daar is op zich niets mis mee. Toch valt het me steeds op dat politici vooral leden van hun eigen partij volgen en ook persoonlijk ben ik geneigd mensen te volgen die iets gemeen met mij hebben. Ik kom dus zelden in contact met andere, alternatieve meningen. Om zo waarachtig en evenwichtig mogelijk bericht te geven, lijkt het me essentieel om net wel met niet-mainstream en afwijkende ideeën geconfronteerd te worden. Sociale media kunnen wel degelijk een meerwaarde zijn voor journalisten, zo kunnen ze een een lijst samenstellen van persbureaus, instanties of individuen die interessant zijn voor hun professionele domeinen. Maar journalisten mogen niet in de val trappen om enkel vertrouwde en gelijkdenkende profielen te liken of volgen. In de kantlijn merk ik evenwel op dat ook journalisten die niet (professioneel) actief zijn op sociale media in deze val kunnen trappen door steeds dezelfde opiniemakers aan het woord te laten.

Valkuil 2: Op sociale media kan je snel iets opzoeken. Hoe vaak denk je niet: ik ga snel mijn Facebook checken en voor je het weet is het een halfuur later? Sociale media bieden potentieel heel wat nuttige informatie, maar het is niet altijd evident om die te vinden. Je bent immers razendsnel afgeleid. Als een journalist een stuk wil maken over het niet verkiezen van Delfine Persoon tot Sportvrouw van het Jaar, vindt die minstens acht Facebookpagina’s over haar, op Twitter staan  reacties te lezen van Roger De Vlaeminck en Jean-Marie De Decker en voor je het weet ben je via het Sporzaprofiel de foto’s van de galajurken aan het bekijken van de andere genodigden op het Sportgala. De grens tussen wat behoort tot noodzakelijke research en wat eigenlijk gewoon leuk is voor tussendoor, wordt vager. Vind je met andere woorden eigenlijk wel wat je zoekt via sociale media? Als je efficiënt informatie wil verzamelen, kunnen sociale media zeker een goede bron zijn, maar nooit de enige.

Zijn sociale media noodzakelijk voor een journalist, zoals bovenstaande stelling poneert? Neen, sociale media kunnen een goede aanvulling zijn voor het journalistieke werk, op voorwaarde dat journalisten ze niet eenzijdig en niet als enige bron gebruiken.

Amateurjournalisten die via het internet een groot publiek bereiken zijn een meerwaarde voor de journalistiek

Amateur- of burgerjournalisten brengen doorgaans nuttige extra’s bij een nieuwsfeit: ze hebben een orkaan gefilmd of kunnen iets relevant vertellen over een gebeurtenis omdat ze ooggetuige waren. Verschillende nieuwsmedia moedigen burgers ook expliciet aan om nieuws te delen. 4040 van de vtm nieuwsdienst geeft nieuwsdelende burgers zelfs de tips om voor genoeg licht te zorgen en om niet te praten tijdens het maken van een filmpje. Het is dan aan de professionele journalist om ten eerst de berichten met voldoende nieuwswaarde eruit te filteren en ten tweede die te kaderen. Als burgerjournalisten toch met iets compleet nieuw naar buiten komen, is er ook nog altijd een professioneel journalist nodig om het bericht op zijn minst te checken en misschien ook aan te vullen en extra te kaderen. De beroepsjournalisten hoeven dus niet te vrezen dat hun werk overgenomen zal worden door burgerjournalisten.

burgerjournalistiek-300x213

bron: http://dodebomen.nl/2012/11/12/journalistiek-voor-niet-journalisten/

Burgerjournalisten verspreiden hun boodschap over het algemeen via het internet. Sommigen gebruiken daarvoor profielen op sociale media, anderen verspreiden hun berichten via een persoonlijke blog. Sommige bloggers beschikken over kennis die in in traditionele media veel minder te vinden is. Zo word ik op de hoogte gehouden van nieuwe vegetarische producten via http://veggiesara.wordpress.com/ en haalde ik al heel wat inspiratie om milieubewuster te leven uit de blogberichten van greenevelien. Die gespecialiseerde blogs zijn niet alleen fijn voor geïnteresseerde internetgebruikers, ook bijvoorbeeld  automagazines kunnen blogs die schrijven over nieuwe modellen, als een meerwaarde zien. Beiden, de autojournalist en -blogger hebben immers hetzelfde doelpubliek en zouden dus kunnen samenwerken.

Ik ga dus akkoord met bovenstaande stelling en kan burgers alleen maar aanmoedigen om nieuws te delen. Als beroepsjournalisten dan ook effectief iets doen met hun berichten, geeft dat bovendien die delende burger een meer betrokken gevoel bij het nieuws.

De intrede van de burgerjournalistiek zorgt ervoor dat er meer verschillende ‘stemmen’ aan het woord kunnen komen

Iedereen die dat wil en daar voldoende middelen en vaardigheden voor heeft, kan een profiel aanmaken op een sociaal medium. Zelf aan burgerjournalistiek doen, is nog een stap verder want zelf berichten maken, vraagt toch wat meer inspanning dan een foto op Facebook te posten. Kleine politieke partijen of religieuze minderheden kunnen evenwel via blogs of sociale media hun standpunten bekend maken, want doorgaans komen die in traditionele media nauwelijks aan bod. Vanuit die standpunten kunnen ook die groepen hun visie geven op actuele kwesties en dus hun stem laten horen. Toch mogen we niet vergeten dat er nog steeds groepen niet gehoord worden via sociale media: de mensen die geen internettoegang hebben of niet over de juiste vaardigheden beschikken om actief te zijn op sociale media of blogs.

Bronnen

De Smaele, Hedwig & Verschooten Chris: Slotdebat nieuwe media en mediaconvergentie (ppt) KU Leuven.

Journalistenenquête, Quadrant Communications, mei 2012. Slides geraadpleegd via  http://www.slideshare.net/Fredegre/journalistenenqute-2012-quadrant-communications-medianet-vlaanderen?related=2

0

De Graeve wil journalisten zien graven

De journalisten van de toekomst zullen dieper moeten graven om te overleven. Deze conclusie trok ik uit  de gastles van Frank De Graeve, een ex-journalist die nu voor het perscommunicatiebedrijf Check Twice werkt. We kunnen er immers niet om heen dat het internet en sociale media de journalistieke sector veranderden. Welke trends zullen er nu wel of niet komen en vooral hoe kunnen kranten daar het best op reageren?

Iedereen kan iedereen gebruiken

Doorgaans zijn profielen op sociale media openbaar, zeker van publieke figuren. Dat komt journalisten goed uit. Mensen met een Twitteraccount kan je ruwweg in twee groepen opdelen: de volgers en de werkelijke tweeters. Die laatste groep laat hun volgers weten waar ze zoal mee bezig zijn en sommigen becommentariëren ook nieuwsfeiten. Bart Van Belle, journalist bij De Standaard stelt in een blogbericht:

Het maatschappelijke debat speelt zich tegenwoordig deels af op sociale media. – Bart Van Belle

Dat heeft als voordeel voor journalisten dat ze niet langer expliciet om de mening van een interessant figuur moeten vragen. Ze staat immers te lezen op een sociaal medium. Zo kan je er bijna zeker van zijn dat Sven Nys op Twitter reageert op speculaties of opmerkelijke voorvallen in de koers. Ook als een opiniemaker zijn mening nog niet kenbaar maakte via een sociaal medium, kan een journalist toch gebruik maken van bijvoorbeeld Twitter. De drempel om iemand rechtstreeks te contacteren via een Twitterprofiel is veel kleiner dan als je eerst een telefoonnummer moet opzoeken om vervolgens te bellen. Het levert niet alleen tijdswinst op, de kans dat je werkelijk antwoord krijgt op een vraag ligt volgens De Graeve veel hoger. Dat blijkt ook uit een kwalitatief onderzoek bij Nederlandse journalisten in 2011 van Jan-Walter Molemaker. Een van de respondenten gaf aan dat Twitter in sommige gevallen dankbaarder is om reacties los te krijgen over een bepaalde kwestie.

“Zo nu en dan kun je een partij uit de tent lokken door licht provocatief, licht prikkelend te Twitteren over wat je aan het doen bent. En zo nu en dan laten weten, nou maat, als je geen commentaar geeft, prima, maar dit zet ik morgen in de krant. En wil je nu nog niet reageren?” – Wouter Bax, journalist bij Trouw

Naast de gestegen bereikbaarheid van potentieel interessante personen, kan je sociale media ook gebruiken om mensen met een bepaald profiel te contacteren. In het boek ‘Sociale media en journalistiek’ (2012) staat uitgelegd dat je met Twitter gemakkelijk op zoek kan gaan naar ooggetuigen van een bepaalde gebeurtenis door bepaalde zoektermen in te geven. Dat zoeken via sociale media heeft volgens De Graeve enkele voordelen. Ten eerste bereik je veel meer mensen dan dat je via mail of door rond te bellen zou kunnen contacteren. Daarnaast komt je boodschap terecht bij een geschikt publiek, want mensen op sociale media zijn doorgaans communicatiever ingesteld en zullen bijgevolg minder weigerachtig staan om hun ervaring te delen met een (nieuws)medium. Zoals geïllustreerd in onderstaande voorbeelden gebruiken journalisten en actualiteitsprogramma’s regelmatig Twitter om geschikte mensen te vinden. Flair lanceerde zelfs de hashtag #flairzoekt als het weekblad nog mensen met een bepaald profiel nodig heeft.kenjij

Knipsel

Flairzoekt

bron: www.twitter.com 

‘Speed is irrelevant it is going in the worng direction’ – Ghandi

Radio, tv of kranten hebben niet langer het monopolie om nieuws te verspreiden. Internet heeft dat alleenrecht verbroken. Nieuws verspreidt zich bovendien bijzonder snel op nieuwe media. Als het om 14 uur begint te branden in een school is de kans groot dat daar een halfuur later al melding van wordt gemaakt op sociale media. Je hoeft dus niet langer te wachten tot het volgende radionieuws of het journaal van 19 uur om op de hoogte te zijn. Snelheid lijkt als journalistieke waarde dus meer aan belang te winnen. Nieuwsmedia proberen elk het nieuws te claimen door er als eerste over te berichten. Ook als een site van een krant iets niet als eerste meldde, gaan ze het bericht overnemen en expliciet verwijzen naar de oorspronkelijke bron. In de lessen van nieuws en nieuwseffecten kaderden we dit fenomeen met de term fear of missing out (fomo). Op die manier mist een krant geen nieuws en door te verwijzen naar de oorspronkelijke bron, dekt de krant zich ook in voor mogelijk onnauwkeurigheden. Onderstaand voorbeeld toont een artikel gepuliceerd op hln.be waarin verwezen wordt naar Het Nieuwsblad.

dat schrijft

bron: http://www.hln.be/hln/nl/1275/Islam/article/detail/1728332/2013/10/24/Syriestrijders-trainen-in-de-Ardennen.dhtml

Als nieuwsconsument is het een aangenaam gegeven als je erop kan vertrouwen dat je via sociale media steeds op de hoogte kan zijn van het recentste nieuws. Maar gaat die snelheid niet al te vaak ten koste van accuraatheid en diepgang van berichtgeving? Op Twitter gebruiken sommige journalisten de tag #unconfirmed om onbevestigd nieuws toch al te verspreiden. Zoals onderstaand voorbeeld aantoont, doen na een incident allerlei geruchten de ronde over het aantal gewonden en/of doden en de identiteit van die slachtoffers. Dat vind ik eigenlijk nogal ongepast tegenover de betrokkenen. Als nieuwsconsument wacht ik bovendien liever een paar uur om dan correcte info te krijgen, dan elk halfuur een update te krijgen over hoeveel en wie mogelijk tot bij de slachtoffers hoort.

unconfirmed

bron: www.twitter.com

Daarom zal er in de hedendaagse digitale samenleving plaats blijven voor kranten. Ze kunnen zich zelfs expliciet profileren als een traag medium, niet alleen omdat ze ‘slechts’ om de 24uur met nieuws komen, maar ook omdat hun journalisten meer tijd krijgen om aan een verhaal te werken. Daarnaast zullen ze scoops kunnen brengen die minder in de waan van de dag verloren gaan. Ze domineert de kwestie rond LuxLeaks, een onderzoeksproject van een groep internationale journalisten, al ruim twee weken het politieke debat.  Zoals De Grave aanhaalde, hoeft een krant niet meer te brengen wat er gebeurde, maar wel hoe het is kunnen gebeuren of moet het op zoek gaan naar ‘verborgen’ nieuws. Dat achterhalen kost tijd en daar wil ik gerust op wachten en ook wel voor betalen, op voorwaarde dat de inhoud kwaliteitsvoller is dan wat ik op het internet kan vinden. Ik sluit me dan ook helemaal aan bij onderstaande quote van Frank De Graeve.

Het spreekt voor zich dat je van journalisten moeilijk kunt verwachten dat ze géén nieuws meer gaan brengen en dat zomaar overlaten aan de Twitteraars en Facebookers onder ons. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat de traditionele media steeds meer verhalen gaan brengen die niet vanzelf naar boven komen. – Frank De Graeve

Bronnen

De Graeve, Frank: 10 trends in de journalistiek (die er niet zijn). ppt + word document @ KU Leuven

Molemaker, J. W. Een kwalitatieve studie over de impact van nieuwe media op PR-professionals en journalisten.Universiteit van Amsterdam.

Opgenhaffen Michaël, & Van Belle Bart (2012). Sociae media en journalistiek. Lannoo Campus

Przybylski, A. K., Murayama, K., DeHaan, C. R., & Gladwell, V. (2013). Motivational, emotional, and behavioral correlates of fear of missing out.Computers in Human Behavior, 29(4), 1841-1848.

Van Belle Bart: Hoe sociale media een impact hebben op de journalistiek Geraadpleegd via http://www.finn.be/blogs/hoe-sociale-media-een-impact-hebben-op-de-journalistiek

Wijs.be Trendrapport 2013: The future belongs to those who prepare for it today.

0

Iedereen digitaal? Ja, maar niet altijd en overal alstublieft

Onze Belgische samenleving digitaliseert op steeds meer domeinen. De overheid biedt diensten online aan, tv-zenders nodigen je uit om extra fragmenten online te bekijken en ook reserveren in een restaurant doe je tegenwoordig via het net. Deze evoluties zijn mooi meegenomen voor mensen die handig genoeg zijn met het internet. Er zijn echter ook mensen die die vaardigheden niet hebben en daarom kan en mag het digitale nooit allesoverheersend zijn.

E-inclusie

De term e-inclusie is verbonden met het concept digitale kloof en wel specifiek met de tweede dimensie: de ongelijke verdeling van vaardigheden om met digitale media om te gaan. Het gaat dus om veel meer dan al dan niet toegang hebben tot het internet (of de eerste dimensie). Mariën en Vleigels (2011) stellen dan ook dat “het idee dat het insluiten van mensen kan worden verwezenlijkt door een beleid dat louter focust op het verschaffen en verhogen van de materiële toegang tot ICT volledig achterhaald is.” Volgens diezelfde auteurs betekent digitale inclusie of e-inclusie “het herintegreren of sociaal insluiten van uitgesloten groepen”.

Ilse Mariën is onderzoekster aan de VUB is gespecialiseerd in sociale uitsluiting mechanismen die spelen bij nieuwe media. Ze stelt

” De druk om mee te gaan in het gebruik van digitale media neemt systematisch toe. Je moet mee, of je wil of niet. Van een vrije digitale keuze is in de Vlaamse maatschappij quasi geen sprake meer. Volwaardig participeren in levensdomeinen als onderwijs, cultuur, politiek of arbeid wordt zo goed als onmogelijk als je geen gebruik kan maken van digitale media.” – Ilse Mariën.

Er is volgens haar dan ook nood aan een Memorandum voor een Mediawijze en E-inclusieve samenleving. Mensen die digitaal uitgesloten worden, missen immers heel wat kansen om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Het memorandum roept op de (schaarse) middelen efficiënt te besteden en onder meer aandacht te hebben voor de specifieke noden van de verschillende doelgroepen en een laagdrempelig aanbod van computerlokalen en begeleiding te realiseren.

Wie

Het is niet verwonderlijk dat het net de mensen zijn die zich in een kwetsbare positie bevinden meer kans maken om uitgesloten te geraken van het digitale gebeuren. Het gaat meestal om mensen met onvoldoende financiële middelen of een gebrek aan kennis en vaardigheden om met een computer te werken. Dat laatste aspect wordt naar ik ondervind nog fel onderschat. Ook gemiddeldopgeleide veertigplussers die dus niet opgroeiden en studeerden met computers en internet, zijn niet altijd in staat digitaal hun weg te vinden. Zo ben ik het bijvoorbeeld die de foto’s van mijn ouders hun reizen laat afdrukken of de rekeningafschriften van mijn oma online afdruk.

Het is niet evident om de groep met een gebrek aan kennis en/of vaardigheden bij te scholen. Een groot deel van de groep is laagopgeleid en herinnert zich nog de negatieve schoolervaring uit het verleden. Tyler-Smith (2006) stelt dat het dan ook niet verwonderlijk is dat deze groep moeilijk te motiveren is om een vorming in eerste instantie te starten en in tweede instantie ook effectief met succes af te werken. Vranken & Vandenbosch (2007) stellen daarnaast dat mensen in een kansarme positie in geneigd zijn in hun vertrouwde, vrij homogene en ict-arme netwerk te blijven. Dat is onder meer te wijten aan eerdere afwijzende reacties van mensen buiten hun vertrouwde netwerk waardoor hun zelfvertrouwen en zelfbeeld op een laag pitje staan.

Meten

Hoeveel mensen worden nu precies digitaal uitgesloten? Op die vraag beten al veel onderzoekers hun tanden stuk. Het concept is immers niet zintuiglijk waarneembaar en is multidimensionaal. Ze is het niet voldoende na te gaan wie een computer gebruikt. Er is ook nood aan een internetverbinding en er zijn verschillende vaardigheidsniveaus. Zelfrapportering geeft een overschatting, vooral bij jongeren zo bleek uit onderzoek van Deursen (2010). Jongeren denken immers dat ze goed overweg kunnen met het internet, dat is doorgaans ook zo want hun operationele vaardigheden zijn goed. Als ze echter specifiek op zoek moeten gaan naar informatie blijkt dat al heel wat moeilijker.

Beleid

Het is nodig om aan beleid te voeren dat aandacht heeft voor e-inclusion. digitaal geletterde burgers geven immers heel wat voordelen volgens Mariën en Van Audenhove. Mensen die digitaal uitgesloten zijn, insluiten zorgt er ook voor dat ze op andere maatschappelijke domeinen niet langer uit de boot vallen. Het kan ook economische voordelen opleveren: werklozen met digitale vaardigheden zijn immers aantrekkelijker op de arbeidsmarkt. Toch ontbreekt vandaag een beleidsvisie op lange termijn en zijn vooral de middenveldorganisaties die initiatieven opzetten. Uit onderzoek van Mariën en vleugels (2011) blijkt dat Vlaamse middenveldorganisaties graag een centraal aanspreekpunt zouden hebben, waar ook de coördinatie van de projecten gebeurd.

De Digitale Week is ongetwijfeld het gekendste project rond digitale inclusie in Vlaanderen en Brussel. Het initiatief komt van LINC vzw en heeft als doel ‘iedereen zich thuis laten voelen in de kennismaatschappij’. De klemtoon ligt op locale laagdrempelige initiatieven waar getoond wordt hoe je op een kwalitatieve manier gebruik kan maken van digitale media. Het is niet alleen de bedoeling digitaal ongeletterden een duwtje in de rug te geven, het initiatief wil ook het ruimte publiek sensibiliseren en organiseert studiedagen voor het Vlaams parlement.

Digitale inclusie aanmoedigen is noodzakelijk, toch mag het geen excuus zijn om steeds meer diensten exclusief online aan te bieden. Als culturele centra je eerst vragen om online te registreren voor je een kaartje kan kopen voor een voorstelling, gaan we toch net iets te ver. De drempel voor digitaal ongeletterden wordt dan wel heel erg hoog om een optreden bij te wonen. Maar ook een digital native als ik vind het eigenlijk niet kunnen dat examenresultaten, diploma’s en inschrijvingen allemaal gecommuniceerd worden via digitale wegen. Het is niet alleen erg vervelend als je je in juli in een regio bevindt zonder internet, het is ook zo onpersoonlijk en koud als een scherm mij moet vertellen hoe mijn inspanningen van een trimester beloond worden.

 

Bronnen

De Digitale Week via http://www.digitaleweek.be/

Deursen, A.J.A.M. van (2010). Internet Skills: vital assets in an information society. University of Twente, Enschede.

Mariën, I., & Van Audenhove, L. MIDIS: meetinstrumenten voor digitale inclusie in steden. IBBT 
Digital 
Society Een 
onderzoeksvoorstel 
voor
 Digipolis
–
Gent
Mariën, I., & Vleugels, C. (2011). Van digitale kloof naar digitale inclusie: naar een duurzame ondersteuning van e-inclusie initiatieven in Vlaanderen.Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 39(4), 104-119.

Tyler-Smith, K. (2006) Early attrition amongst first time learners: A review of factors that contribute to drop-out, withdrawal and non-completion rates of adult learners undertaking eLearning programmes. In: Journal of Online Teaching (JOLT), 34p.

Vranken, J., & Vandebosch, H. (2007). Aan de onderkant van de technologische samenleving. Armoede en technologie. Een onderzoek naar de relatie tussen armoede en technologie. Brussel: Instituut voor Samenleving en Technologie (IST – viWTA).

0

Internet lost bestaande ongelijkheden niet op

U, internetgebruiker behoort tot één van de gelukkigen die erin geslaagd is een internetverbindnig te claimen. Bovendien hebt u de weg gevonden naar mijn blog. Eigenlijk droom ik er stiekem van om iedereen naar mijn blog te leiden. Niet alleen omdat dat mijn ego enorm zou strelen, maar ook omdat de digitale kloof dan verdwenen zou zijn. Iedereen zou dan immers op de een of andere manier toegang hebben tot het internet en de vaardigheid hebben om de blog van een Belgische studente te ontdekken.

Term

De term digitale kloof (vertaling van digital divide) is multidimensionaal. Mariën en haar collega’s (2010) definiëren de term op basis van twee graden: “Digitale kloof van de eerste graad verwijst naar sociale exclusie veroorzaakt door het niet bezitten van ICT of toegang tot ICT.” Hier gaat het dus om het onderscheid tussen information haves en information have-nots of informatie-rijken en informatie-armen of nog een digitale kloof op nationaal niveau. Digitale kloof van de tweede graad verwijst dan naar “mechanismen van sociale uitsluiting veroorzaakt door verschillen in gebruik en vaardigheden.” In die zin kunnen we spreken van een digitale kloof op globaal niveau want landen halen op een ongelijke manier voordeel uit de verschillende vormen van informatie en technologie (de Smaele en Verschooten, 2014). Professor nieuwe media Leo Van Audenhove aan de VUB spreekt ook over een nieuwe digitale kloof:
“De nieuwe digitale kloof ligt in de vaardigheid om met informatie om te gaan: informatie zoeken en vinden, maar vooral informatie aanwenden in een strategisch voordeel, bijvoorbeeld om werk te zoeken. Veel mensen weten niet hoe ze hun voordeel kunnen doen met de toegang tot het internet”. – Leo Van Audenhove
Onderstaande figuur toont dat België een gemiddelde leerling is in de Europese klas wat betreft toegang tot het internet. Bijna acht op de tien Belgische huishoudens kon in 2012 op het internet surfen.

household internet

bron: Eurostat
Die tweede dimensie van de term is echter pas recent algemeen aanvaard geworden. Voorheen lag de focus enkel op de verschillen in toegang gebaseerd op sociodemografische tegenstellingen zoals jong-oud, arm-rijk of laagopgeleid-hoogopgeleid. Van Dijk (2005) stelt dat de toegang tot informatie- en communicatietechnologieën kortweg ict samenhangt met de financiële situatie van een individu. Computers en toegang tot internet mogen doorheen de jaren dan wel goedkoper geworden zijn, voor financieel kwetsbare groepen zoals kansarmen, laagopgeleiden of niet-actieven blijft de aanschaf relatief duur.

Ontwikkelingslanden

Toenmalig secretaris-generaal van de VN Kofi Annan bracht in 1999 de digitale kloof in verband met ontwikkelingslanden. De ongelijke verdeling van toegang tot internet en digitale vaardigheden spelen een rol in de traditionele problemen waarmee de ontwikkelingslanden worstelen. Vanuit die filosofie lanceerde Annan het One Laptop Per Child (OLPC) project in 2005. De bedoeling was om elke kind in bepaalde ontwikkelingslanden een laptop te geven die vooral voor onderwijs gebruikt zou worden. Op die manier zouden de kinderen in de eerste plaats kwaliteitsvol onderwijs kunnen genieten en bovendien ook hun digitale vaardigheden kunnen ontwikkelen. Het project faalde echter, onder meer wegens kinderziektes bij het laptopmodel en distributieproblemen.
De honger, armoede of sociale ongelijkheid oplossen met een computer, is nogal ambitieus. Het blijft een groot vraagteken of de digitale kloof zal verkleinen, vergroten of ooit onbestaande zal zijn. De socialestructuurbenadering  erkent het democratisch potentieel van technologie. De Britse professor Colin Sparks vreest dat het democratisch potentieel echter nooit tot uiting komen vanwege de bestaande ongelijkheden in samenlevingen. Zo blijkt ook uit onderstaande microdocumentaire van TED. Vrouwen hebben er minder toegang en bijgevolg minder digitale vaardigheden net omdat hun positie in de samenleving niet gelijk is aan die van de mannen. Pas als die genderongelijkheid weggewerkt zal zijn, zullen vrouwen op een zelfde manier vaardigheden kunnen verwerven via digitale media.

Journalistiek

Bart Van Belle, webredacteur bij De Standaard  spreekt ook van een digitale kloof tussen oudere en jongere journalisten. Oudere journalisten vinden het volgens hem niet altijd evident om steeds mee op de trein te springen van de snel veranderde digitale technologieën. Luc Coppens, een recent gepensioneerd economiejournalist bij De Standaard bevestigt dat in een interview dat ik afnam in het kader van het opleidingsonderdeel  nieuws en nieuwseffecten:

 Ik heb het aan mij laten voorbij gaan. Ooit – ik heb één tweet gestuurd, ooit (lacht). Jaren geleden. Ik heb daar twintig volgers aan overgehouden. Dat is alles. Nee, daar kan ik niet veel over vertellen. – Luc Coppens

Maar wat betekent de digitale kloof voor de journalistiek als sector? Voor de eerste dimensie van de definitie van de term is het vrij eenvoudig. Ongeveer twee op de tien Belgische huishoudens hebben geen internet en zullen bijgevolg geen online artikels of videofragmenten raadplegen. Dat lijkt me niet zo dramatisch aangezien er nog genoeg andere kanalen zijn waarop journalistiek een beroep doet zoals televisie, radio, kranten en magazines. De tweede dimensie van de digitale kloof, het ontwikkelen van vaardigheden om voordeel te halen uit het internet, kan wel een rol spelen voor de sector. Niet iedereen zal immers op dezelfde manier op zoek gaan naar nieuws op het internet. Sommigen lezen enkel koppen die ze zien passeren op hun Facebookpagina, anderen gaan naar de homepage van Deredactie.be, nog anderen lezen een volledige krant online en een niet te onderschatten deel leest enkel de reacties op bepaalde artikels al dan niet via een sociaal medium. Allen hebben een andere manier om met nieuws om te gaan en dat is maar goed ook, enkel op die manier kan er een divers medialandschap blijven bestaan. Het is echter nuttig om de oefening te maken wie welke informatie krijgt. Is het niet vaak zo dat wie enkel titels of reacties leest, in het algemeen minder geïnformeerd is en zich hoogstwaarschijnlijk ook lager op de sociale ladder bevindt? Als bachelor in de sociologie kan ik alleen maar ijveren om de bestaande sociale ongelijkheden niet te onderschatten en zeker het effect van digitale technologieën niet te overschatten. De digitale kloof is alleen maar een uiting van de reeds bestaande ongelijkheden.

Bronnen

de Smaele, H., & Verschooten, C. (11/12/2014). De digitale kloof (ppt). KU Leuven.

Mariën, I., Van Audenhove, L., Vleugels, C., Bannier, S., & Pierson, J. (2010). Digitale kloof van de tweede graad in Vlaanderen. Brussel: Onderzoeksrapport voor het Instituut Samenleving & Technologie (IST).

Nieuwe digitale kloof ook bij jongeren merkbaar (19/10/2010) De Redactie. Geraadpleegd via http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/binnenland/1.886651

Nosowitz, D. Has one laptop per child totally losts its way? From a un-distributed high-minded do-gooder machine to a middle-class western kid’s alternate christmas present: a cheap android tablet. Geraadpleegd via http://www.popsci.com/gadgets/article/2013-07/one-laptop-childs-de-evolution

Sparks, C.(2014)  What is the ‘Digital Divide’ and Why is it Important? in Media in Europe: New Questions for Research and Policy.

Van Belle, B. Technologische trends voor journalisten, presentatie tijdens de Nacht van de journalistiek 2011. Geraadpleegd via  http://www.slideshare.net/bartvanbelle/technologische-trends-voor-journalistiek

van Dijk, J. A. G. M. (2005). The deepening divide. Inequality in the information society.
Thousand Oaks, London, New Delhi: Sage.

 

0

Het perverse effect van sociale media in niet-democratische regimes

Nieuwe media hebben het potentieel om aan elk individu een stem te geven. In niet-democratische regimes kunnen demonstranten zich zo gaan organiseren en ook werkelijk heel wat teweeg brengen. Denk maar aan de opstanden in de Arabische wereld. Toch zullen sociale media niet automatisch naar meer democratie en participatie leiden zoals digitaal utopisten beweren. Integendeel: sociale media perken de vrijheid van mening net in, in plaats van ze te vergroten.

Internet en specifiek nieuwe media hebben de bestaande machten hoe dan ook herverdeeld. Enerzijds kunnen overheden, economische grootmachten of energieproducenten het medium niet zomaar negeren. Anderzijds is internet ook instrumenteel voor het succes van bedrijven zoals Google, eBay en talloze webwinkels en voor individuen: wie zou Justin Bieber kennen als Youtube niet bestond? Er is echter geen eensgezindheid binnen de bestaande wetenschappelijke literatuur over welke machtsherverdeling er precies aan de gang is. Hands (2011) zegt dat het internet macht geeft aan individuen ten nadele van de traditionele machthebbers. Er is bovendien sprake van een sneeuwbaleffect waardoor de macht van het individu alleen maar kan toenemen. Morozon (2011)  daarentegen spreekt van een netdelusion. In autoritaire regimes zullen nieuwe media dan ook niet leiden tot meer democratie maar in tegendeel tot een versterking van het regime.

Sociale media tijdens conflicten

Een van de fundamentele oorzaken van de Arabische lente, een reeks van opstanden in de Arabische wereld, is het internet (Khoury, 2011). Burgers konden hun frustraties uiten op het internet en kwamen zo in contact met gelijkgestemden. Daarnaast werden de Arabische burgers er zich ook stilaan van bewust hoe corrupt hun overheden waren en konden ze zich beter gaan vergelijken met het materieel en economisch welvarender westen. Rebecca De Dobbelaer stelt in haar masterproef (2012) dat de val van de dictators er niet gekomen is door online actief te zijn, wel door met massa’s op straat te komen. Sociale media hebben enkel geholpen om op korte tijd veel mensen te mobiliseren. Aanwezigheid van sociale media bij opstanden geeft ook journalisten een voordeel. Het is immers voor journalisten niet altijd evident en veilig om over opstanden in niet-democratische regimes te berichten. Tegenwoordig maken betogers zelf beeldmateriaal vanuit het centrum van de opstanden om die vervolgens op sociale media te posten. Sangani (2011) stelt dan ook dat de afwezigheid van journalisten niet automatisch betekent dat er niet bericht kan worden door een gebrek aan beeldmateriaal.

We mogen echten niet uit het oog verliezen dat ook niet-democratische overheden hun macht uitoefenen op het internet zoals ze dat al deden op traditionele media als televisie, radio en kranten. Overheden kunnen de toegang tot sites blokkeren zoals Turkije in maart nog deed met Twitter en Youtube of het censureren van bepaalde zoektermen. Morozov waarschuwt echter dat overheden sociale netwerksites ook gebruiken om te infiltreren in protestgroepen om zo informatie te verzamelen. Daarnaast moet de impact van sociale media in de Arabische lente niet overschat worden. Dat stelt onder meer de Amerikaanse antropoloog Charles Hirschkind: “De basis voor het volksverzet in landen als Egypte, Libië, Tunesië en nu Syrië is de onderdrukking van het volk en de enorme frustratie over de economische situatie, de corruptie en regeringen die weigerden actie te ondernemen. Die frustratie kwam natuurlijk ook aan bod op de sociale media. Maar het waren alternatieve kranten en verhalen van mond tot mond, van gsm tot gsm, die het vuur aanwakkerden. De kogel was pas echt door de kerk toen de geestelijke leiders de revolutie gingen ondersteunen. En daar speelt weer het belang van de cassettepreken: die maakten het gelovige, laag geschoolde volk ontvankelijk voor de boodschap van de geestelijke leiders.” (interview Campuskrant 2 mei 2013)

kul slqcktivis _0

bron: Joris Naert, http://nieuws.kuleuven.be/node/13630

Journalisten

In niet-democratische regimes is de persvrijheid meestal beperkt. Dat maakt het werk van journalisten er niet makkelijker op. William Rugh (2009) schrijft dat er voor journalisten strenge regels zijn omtrent het schrijven over overheidsinstellingen en buitenlandse leiders. In onstabiele regimes zoals het huidige Egypte lijkt het onmogelijke om vandaag aan professionele journalistiek te doen. Zo worden er drie Al Jazeera journalisten al bijna een jaar vastgehouden omdat de autoriteiten hen verwijten de Moslimbroeders te steunen. Volgens Knack zitten er wereldwijd tweehonderd journalist in de cel, enkel omdat ze probeerden hun job uit te oefenen. De jaarlijkse Freedom of the Press Index belooft ook niet veel beterschap. Slechts 1 op de 7 mensen hebben toegang tot media die vrij zijn. Dat is het laagste cijfer in tien jaar. Freedom House concludeert dan ook:

‘Hoewel er wereldwijd online steeds meer informatiebronnen beschikbaar zijn, doen de media zelf steeds minder onafhankelijk verslag,’. – Leon Willems, Freedom house

Niet enkel journalisten, ook bloggers in niet-democratische landen ervaren grenzen aan hun recht op vrijemeningsuiting. Er zijn talloze voorbeelden van bloggers in Egypte, VietnamSaoudi-Arabië of Iran die gemarteld of opgesloten worden. Amnesty International voert al jaren campagne om deze bloggers in te bevrijden en in staat te stellen hun mening te kunnen verspreiden. De anonimiteit van het internet lijkt in deze kwestie dan ook helemaal doorprikt. Arabische landen gebruiken zelf immers sociale media om te weten te komen wie de dissidente sociale mediagebruikers zijn. Deze situatie zorgt er hoe dan ook voor dat elke blogger of journalist twee keer nadenkt voor hij iets publiceert.

De visie van digitaal utopisten die geloven dat sociale media de politieke participatie verhogen kunnen verhogen (zie eerder blogbericht), lijkt dus vrij ongeloofwaardig in niet-democratische regimes. Daar lijkt zelfs het omgekeerde te gebeuren: journalisten en bloggers ervaren net minder vrijheid omdat de overheid na de traditionele media, nu ook het internet controleert.

 

blogging

bron: amnesty international

Bronnen:

Chatfield, T. (09/01/2011). The net delusion: how not to liberate the world by Evgeny Morozov-review. The Guardian. Geraadpleegd via http://www.theguardian.com/books/2011/jan/09/net-delusion-morozov-review

De Dobbelaer, R. (2012). Brongebruik bij de Vlaamse commerciële en openbare omroep omtrent de berichtgeving over de Arabische Lente van 2011: is de Arabische revolutie ook een sociale media revolutie? Universiteit Antwerpen.

Hands, J. (2011). @ is for activism: Dissent, resistance and rebellion in a digital culture. London: Pluto Press.

Khoury, D. (2011). Social Media and the Revolutions: How the Internet Revived the Arab Public Sphere and Digitalized Activism. Perspectives: Political Analysis and Commentary from the Middle East, 2, 80-85

Morozov, E. (2011). The net delusion: How not to liberate the world. London: Allen Lane.

Poot, J. (03/05/2013). Antropoloog Charles Hirschkind over sociale media en de Arabische lente. Campuskrant. geraadpleegd via http://nieuws.kuleuven.be/node/11859

Rugh, W. A. (2009). Repairing American public diplomacy. Arab Media & Society, 7. Geraadpleegd via http://www.arabmediasociety.com/articles/downloads/20090209134326_AMS7_William_Rugh.pdf

Sangani, K. (2011). Revolution 2.0: What Role did Social Media and Capable Devices Haveon the Ongoing Events in the Middle East? Engineering and Technology, 8, 88-92.

Seegers, J (27/03/2014). Niet alleen Twitter maar ook youtube geblokkeerd door Turkije. NRC Geraadpleegd via http://www.nrc.nl/nieuws/2014/03/27/niet-alleen-twitter-maar-ook-youtube-geblokkeerd-door-turkije/

Van Erp, A. (03/05/2014). Vlaamse journaliste bij Al Jazeera: ‘druk op persvrijheid is angstaanjagend’. Knack. Geraadpleegd via http://www.knack.be/nieuws/wereld/vlaamse-journaliste-bij-al-jazeera-druk-op-persvrijheid-is-angstaanjagend/article-normal-141315.html

0

Nieuwe media en politieke participatie, een geslaagd huwelijk?

De politieke participatie in vele westerse democratieën daalt. Misschien kan nieuwe media redding brengen. Zij kennen immers een groter bereik en zijn makkelijk en bovendien zo goed als gratis toegankelijk. Digitale utopisten doet het dromen van een samenleving gebaseerd op directe democratie in plaats van op de huidige representatieve democrate. Wat is dat nu precies die cyberdemocratie en hoe realistisch zijn de dromen over een democratisch utopia?

Cyberdemocratie

Volgens Ogden verwijst cyberdemocratie naar de uitoefening van democratische principes in de cyberruimte. Deze ruime definitie impliceert dus dat al wie actief is in de cyberruimte, hierna het internet genoemd, kan bijdragen aan de democratie. Cruciaal bij de theorievorming rond cyberdemocrtie zijn de concepten sociaal kapitaal en publieke sfeer.

Sociaal kapitaal zou je simplistisch de lijm van het samenleven kunnen noemen. Preciezer is het te defininiëren als het netwerk, het vertrouwen en de wederkerigheid van sociale acties van een individu (bron: nota’s politieke sociologie). Sociaal kapitaal speelt een cruciale rol bij het participeren in een samenleving. Putnam en zijn collega’s (1994) koppelden  sociaal kapitaal aan verenigingen. Volgens hen spelen verenigingen een belangrijke rol bij het opbouwen van sociaal kapitaal. Individuen kunnen hun sociaal kapitaal gebruiken in een publieke sfeer. Dat is een plaats waar burgers kunnen deelnemen aan democratische processen (Hague & Loader, 1999).  Met het ontstaan van het internet is die ruimte aanzienlijk vergroot. Er zijn niet alleen nieuwe vormen ontstaan zoals discussies op fora, online petities of online een politicus volgen, face-to-face communicatie is bovendien niet langer noodzakelijk. Habermas waarschuwde al dat dat soort communicatie echter noodzakelijk blijft in een publieke ruimte.

Politici maken tegenwoordig gretig gebruik van nieuwe media. Veel politici schrijven een blog  of houden hun volgers via Facebook op Twitter op de hoogte van hun doen en laten. In 2010 was er even ophef nadat toenmalig minister van Ondernemen en Vereenvoudig Vincent Van Quickenborne tweets verstuurd had tijdens een gesloten ministerraad.  Nieuwe media zijn vandaag ook onmisbaar in verkiezingscampagnes. Claire Cain Miller, een journaliste bij The New York Times stelt in een blogbericht dat internet de manier waarop politici aan politiek doen, verandert.

“Were it not for the Internet, Barack Obama would not be president. Were it not for the Internet, Barack Obama would not have been the nominee” – Arianne Huffigton, The Huffington Post

Miller citeert Arianne Huffington om aan te tonen dat internet cruciaal kan zijn in de campagne van een kandidaat. Via internet heb je een veel groter bereik, iets wat – zeker in Amerika – sponsors niet onberoerd laat. Daarnaast lijkt het alsof de politicus dichter bij de kiezer staat en meer rekening kan houden met diens wensen.

De rol van een journalist bestaat er in verkiezingstijd in om de kiezer te informeren. Is dit nog wel relevant als alle partijen en zo goed als alle kandidaten dat zelf al uitgebreid doen? Ja en wel om drie redenen. Ten eerste filtert de journalist de informatie. Er zijn weinig kiezers die de partijprogramma’s van alle partijen letterlijk lezen. Journalisten kunnen dat wel en halen daar dan de meest relevante en opmerkelijke punten uit. Ten tweede kunnen journalisten voorstellen aftoetsen aan de realiteit. Wat zou het betekenen als dit doorgaat? Is dit niet al eens voorgesteld? Is er een partij met een alternatief voorstel? Journalisten plaatsen de voorstellen in een context en kunnen er ook dieper op in gaan. Ten derde geven nieuwsmedia een extra dementie aan de info van kandidaten. Het is niet langer eenzijdige berichtgeving, er kan interactie zijn.Dat kan met een journalist in een interview, maar ook in een debat met zijn politiek concurrenten. Daarnaast moet opgemerkt worden dat nieuwsmedia ook gebruik maken van sociale media in het berichten over verkiezingen. Ze brengen de kijker, lezer of luisteraar niet alleen op de hoogte van de belangrijkste activiteiten van politici op sociale media, nieuwsmedia spreken hun publiek ook rechtstreeks aan om via diezelfde sociale media hun mening te laten horen. Zo getuigt ook het verkiezingsprogramma Zijn er nog vragen? op één of  De stem van Vlaanderen de stemtest van onder andere VTM en Het Laatste Nieuws.

Directe democratie 

Digitaal utopisten geloven dat al die vormen van democratische participatie zullen leiden tot een directe democratie. “Bij directe democratie nemen burgers rechtstreeks deel aan het besluitvormingsproces. (…) Het volk overlegt en beslist niet langer doorheen zijn verkozenen,maar doet dit in grote(re) mate zelf.” (Van Gompel et al., 2007). In praktijk komt deze vorm van democratie op natieniveau zelden voor omwille van haar praktische onhaalbaarheid. Op lokaal niveau is het wel realiseerbaar in de vorm van referenda, denk maar aan de recente volksraadpleging in Mechelen over het al dan niet terugplaatsen van de wijzerplaten op de de Sint-Romboutstoren.

Internet biedt mogelijkheden om meer mensen te bereiken op een goedkope en toegankelijke manier. Toch mogen we vergeten dat nog steeds vijftien procent van de België niet actief zijn op het internet en er dus nog wel degelijk sprake is van een digitale kloof (bron: ITU). De Amerikaanse onderzoekers Margolis en Resnick (2000) stellen daarnaast dat de meerderheid van de internetgebruikers op zoek is naar ontspanning op het net. Bovendien is het niet zo dat mensen de mogelijkheden die het internet hen tegenwoordig op het vlak van democratische participatie biedt ook effectief gaan benutten.Je kan mensen immers moeilijk gaan verplichten om via internet actief deel te nemen aan democratische acties.

democracy-is-a-virus-that-spreads-over-the-internet_1

bron: http://www.globecartoon.com/

Bronnen

“Percentage of Individuals using the Internet 2000-2012”, International Telecommunications Union (Geneva), June 2013, retrieved 22 June 2013

de Smaele, H., & Verschooten, C (04/12/2014): Nieuwe media en democratie: naar een democratisch Utopia? (ppt).

Hague, B.N. & Loader, B.D. (eds.). (1999). Digital democracy: discourse and
decision making in the information age. London: Routledge.

Margolis, M. & Resnick, D. (2000). Politics as usual: the cyberspace ‘revolution’. London; Thousand Oaks, CA; New Delhi: Sage Publications. 207-212.

Ogden, MR. (1996). Electronic power to the people: who is technology’s keeper on the cyberspace frontier? Technological Forecasting and Social Change 52: 119-133.

Putnam, R. D., Leonardi, R., & Nanetti, R. Y. (1994). Making democracy work: Civic traditions in modern Italy. Princeton university press.

Quintelier, Ellen. Lessen en nota’s politieke sociologie september – decemeber 2013. KU Leuven.

Van Gompel, Roland, Steyaert, Jo, Kerschot, Hugo, E-democratie in Vlaanderen, Stakeholderanalyse,studie in opdracht van het viWTA, Brussel, 2006.